broedvogels 2006

 

Het afgelopen broedseizoen heeft weer eens aangetoond hoe dynamisch de natuur is en hoe soorten zich toch steeds weer kunnen aanpassen aan onverwachte omstandigheden.

 

Vooral voor de weidevogels was 2006 een moeilijk jaar. Maart en april waren droog en koud. Hierdoor bleven niet alleen de aantallen aanwezige vogels laag, diegene die er al waren, begonnen ook niet te broeden. Voor weidevogels is dat een zeer ongunstige situatie: de laatste decennia vervroegden namelijk veel soorten systematisch hun broedperiode als reactie op de zich intensifiërende landbouw. Begin mei sloeg de situatie om en werd het warm, zeer warm zelfs. Alle vogels gingen tegelijkertijd aan het broeden, en vanuit het zuiden arriveerden, met meerdere weken vertraging, nog tal van waadvogels en eenden. Helaas was hiermee het leed nog niet geleden. De tweede helft van mei werd weer kouder en vooral natter. Het slechte weer kwam op het slechtste moment voor de talrijke kleine jongen die in hun eerste levensdagen bijzonder gevoelig zijn voor koude en afkoeling. Er kwamen er dus heel wat om. Maar weer wist de natuur zich aan te passen: eind mei begonnen  veel vogels aan een tweede broedsel, mét succes. Heel de maand juni en zelfs nog tot half juli, in normale jaren zijn de meeste weidevogels dan al weer vertrokken, waren abnormaal veel jongen aanwezig die nu goed opgroeiden. In de Uitkerkse Polder werd het uiteindelijk dus toch nog een goed broedseizoen. De aanwezigheid van het natuurreservaat was hierbij cruciaal: zonder deze reservaatspercelen en het aangepaste beheer zouden de vogels immers onmogelijk hun nieuwe broedsels hebben kunnen grootbrengen.

 

Waadvogels :

 

Grutto : zit een beetje in een dalende lijn: dit jaar 118 broedparen, tegenover 124 vorig jaar en 131 in 1994 (toen het maximum). Naast de hoger geschetste klimatologische situatie spelen voor de grutto's ook andere elementen een rol: afgelopen jaar werden in Uitkerke grote natuurontwikkelingswerken uitgevoerd. Deze percelen worden pas na enkele jaren geschikt als broedgebied voor de grutto. Daarnaast waren er ook verstoringen:  o.m. de grote hopen aarde die langs de vaart bleven liggen tijdens het broedseizoen, op andere percelen wellicht ook de aanwezigheid van vossen. Het geheel van die factoren wordt bevestigd door de waarnemingen op het veld: grutto's lijken hun broedplaatsen in de Uitkerkse Polder te verplaatsen naar andere percelen. Er is een goede kans dat dit fenomeen maar tijdelijk zal zijn. Veel verontrustender is de algemene populatietrend van de grutto in de ons omringende landen waar een zeer sterke achteruitgang wordt vastgesteld. In Nederland, waar het allergrootste deel van alle West-Europese grutto's broedt, voorspellen pessimisten bij een voortschrijdende huidige evolutie,  het totale uitsterven binnen de 20 jaar! 

 

Kievit: nog steeds de talrijkste waadvogel, deed het zelfs beter dan de vorige jaren met 352 koppels tegenover 309 vorig jaar en 341 in 1994.

 

Tureluur: de specialist van de zilte graslanden en als laat broedende soort ook minder gevoelig aan de hoger geschetste milieuomstandigheden: dit jaar een nieuw record met 63 koppels (tegenover 50 in 2005 en 2004).

 

Kluut: een pioniersoort die profiteert van de nieuwe natuurontwikkelingswerken maar zich anderzijds ook meer en meer vestigt in natte weidepercelen: dit jaar 119 koppels, een nieuw record waarmee hij tevens de grutto voorbijsteekt (in 2005 waren er 92 koppels, in 2004  63).      

 

Scholekster: ook een laat broedende soort, met 63 koppels exact even talrijk als vorig jaar.

 

Kleine plevier: geen echte weidevogel, pionier op de natuurontwikkelingspercelen. 5 koppeltjes dit jaar, eentje minder dan vorig jaar.

 

Stelkluut: één koppel maar dit jaar, het nest overstroomde echter tijdens de grote regenval eind mei.

 

Eenden en andere watervogels:

 

 Wilde eend: zoals altijd de talrijkste soort: met  317 koppels iets talrijker dan vorige jaren (305 in 2005, 304 in 2004)

 

 Slobeend: belangrijke soort wegens echte weidevogel: broedt traditioneel in sterk wisselend aantal naargelang natte of droge jaren. Dit jaar  55 koppels (64 in 2005, 48 in 2004)

 

 Bergeend: een soort die pas de laatste decennia talrijker werd in de polders: 92 koppels, iets minder dan de vorige jaren (respectievelijk 95 en 93 in 2005 en 2004). Bergeenden lijken zich ook te verplaatsen uit enkele traditionele broedplaatsen waar vossen gesignaleerd werden.

 

 Zomertaling: als traditionele, maar zeer zeldzaam geworden weidevogel een belangrijke soort: na vele jaren met sporadisch nog eens één koppeltje, de laatste tijd weer iets talrijker: dit jaar 8 koppeltjes (vorig jaar 9, in 2004 3).

 

Wintertaling: van oorsprong meer een broedvogel van vengebieden, nu stilaan ook een vaste broedvogel in de kustpolders. In Uitkerke 13 koppeltjes (10 in 2005, 11 in 2004).         

 

Krakeend: een zeldzame soort, de laatste jaren altijd een of twee koppels, dit jaar  6.

 

Kuifeend: een soort die de laatste jaren in wisselende maar steeds kleineaantallen aanwezig is, dit jaar 7 koppels.

 

Smient: in Uitkerke echte wintergast, de laatste jaren regelmatig ook een koppel broedend, wat ook in 2006 weer het geval was.

 

Grauwe gans: 82 koppels: voor het eerst in jaren in aantal gedaald na de voortdurende toename de laatste tien jaar. In april vonden we verscheidene verlaten nesten, grauwe ganzen zijn ook geliefkoosde prooien voor de vos.

 

Canadagans: een verwilderde soort die in toenemende mate voorkomt en tot broeden komt: 14 koppels dit jaar, het hoogste aantal ooit.

 

Dodaars: dit kleine fuutje broedt traditioneel in de Fonteintjes, in Uitkerke zeer sporadisch: dit jaar één koppeltje in het moerasje bij Groenwaecke.

 

Meerkoet: broedt meer en meer in de polders, vooral op de grotere plassen maar ook in sloten en kleine plassen in weidepercelen. Dit jaar 83 koppels, een nieuw record (respect. 67 en 66 in 2005 en 2004).

 

Waterhoen: zeer moeilijk te tellen wegens zijn verborgen levenswijze in dicht begroeide sloten. We hebben toch de indruk dat het waterhoentje als broedvogel sterk aan het achteruitgaan is, misschien wel door de toegenomen concurrentie van de meerkoeten.

 

Zangvogels : 

 

De grondbroeders van de graslanden deden het, met uitzondering van de gele kwikstaart,dit jaar wat minder goed: veldleeuwerik: 114 (vorig jaar 130), graspieper: 108 (vorig jaar 112) en gele kwikstaart: 38 (vorig jaar 36). Een gelijkaardige trend werd ook in andere gebieden vastgesteld.

 

Bij de bewoners van rietkragen was dit niet het geval: rietzanger  215 (vorig jaar 181), kleine karekiet 171 (vorig jaar 112) en blauwborst 34 (vorig jaar 25) deden het zelfs zeer goed, de rietgors bleef op ongeveer hetzelfde aantal (64  tegenover  66 vorig jaar). Op één plaats zat ook een graszanger. 

 

Andere soorten werden meestal onvolledig geteld. Het gaat om bewoners van struiken als grasmus, braamsluiper, bosrietzanger, fitis, kneu, merel , zanglijster en nog enkele andere die vooral in de omgeving van Groenwaecke en bij de kleiputten van Wenduine voorkomen. Vermeldenswaard bij deze groep zijn nog spotvogel : 2 bij Groenwaecke en 1 bij een boerderij, sprinkhaanrietzanger  en cetti's zanger, beide bij Groenwaecke. In de buurt van hoeven zaten er een drietal koppeltjes witte kwikstaart en enkele holenduiven. Huis- en boerenzwaluw worden elk jaar zeldzamer. Een moeilijk te tellen soort wegens de grote beweeglijkheid is de koekoek waarvan we het aantal op 3 tot maximaal 5 koppels schatten.

 

Andere soorten:

 

Kokmeeuwen waren dit jaar weinig talrijk (22 nesten in de kolonie) en van het visdiefje was er een broedpoging. De blauwe reigers nestelden weer op de rand van de polder, bij het bosje van de Bosquet (7 nesten).

 

Moeilijke soorten wegens de verborgen levenswijze zijn patrijs en kwartel: de eerste werden dit jaar niet geteld, van de tweede waren er een zestal zangposten.

 

De roofvogels tenslotte: 3 paar bruine kiekendief, 4 paar torenvalk, 3 paar steenuiltjes en 1 ransuil waren aanwezig, van de laatste drie zijn de aantallen als minima te beschouwen.