Broedvogels in de Uitkerkse Polder in 2005

 

Het voorjaar begon gunstig, dankzij een hoge waterstand na de overvloedige regen van de afgelopen winter.  Met uitzondering van een korte warmteperiode in de tweede helft van april, bleven de temperaturen echter laag, en gedurende het hele verdere voorjaar viel er nauwelijks nog regen.

Al vrij gauw bereikten ons verontrustende berichten uit omliggende weidegebieden in de Brugse en Oostendse regio: lage aantallen weidevogels met vooral bij de grutto's een achteruitgang van 30%.

In UItkerke bleek de situatie al bij al nogal mee te vallen: een lichte achteruitgang van het aantal grutto's: 124 koppels tegenover 131 het jaar ervoor, bij de kievit was de terugval iets groter: 309 koppels tegenover 341 in 2004. Niet zó slecht dus, dankzij de talrijke reservaatspercelen en uitgevoerde natuurontwikkelingswerken waardoor de broedvogels zich bij ongunstige omstandigheden naar de meest geschikte broedplaatsen kunnen verplaatsen.

 

Alle andere waadvogels waren wèl in normale aantallen aanwezig, het zijn meestal soorten die hoe dan ook in de kerngebieden broeden, zoals de tureluur (dit jaar 50 koppels), de kluut (dit jaar een absoluut record van 92 koppels), en de kleine plevier (6 koppels), of ook laat broeden zoals de scholekster (62 koppels). Ook weer aanwezig was de steltkluut, wellicht door de droogte in zuid-Europa, met niet minder dan 7 broedparen.

Ondanks die goede resultaten kregen we dit jaar af te rekenen met een nieuwe, onverwachte situatie, die vooral op de broedende steltlopers een negatieve invloed had.  Twee van de kerngebieden, met traditioneel hoge

concentraties weidevogels en op een ervan zelfs een dichte kolonie grutto's, bleken dit jaar zo goed als verlaten. De weidevogels waren er gewoon verdwenen. De enkele grutto's en kieviten die er nog aanwezig waren leken ook

abnormaal schuw en vluchtten onmiddellijk weg. Het terrein zelf en de vegetatie waren daarentegen onveranderd, opmerkelijk was ook dat in andere percelen de broedvogels wel normaal aanwezig waren. Iets moet die beide kerngebieden grondig verstoord hebben. Wat de oorzaak geweest is zullen we nooit met zekerheid weten, maar we hebben wel een vermoeden: er werden namelijk sporen van een vos aangetroffen. In tegenstelling met wezels en hermelijnen, die door broedende weidevogels met veel kabaal worden verjaagd, zijn vossen veel te groot en sterk om zich hierdoor te laten intimideren. Ook in Nederland werd al gesignaleerd dat weidevogelgebieden volledig werden verstoord door vossen. Een oplossing hiervoor ligt niet voor de hand, tenzij we de vossen zouden verdelgen. Maar ook dat is niet zo eenvoudig, en zelfs als dit zou lukken is er nog veel kans dat de vrijgekomen plaatsen door nieuwe dieren zouden worden ingenomen. Maar misschien hebben de vogels zelf wel al een oplossing aangebracht: De grutto's bleken zich namelijk verplaatst te hebben naar twee laaggelegen percelen op een goede kilometer afstand, omgeven en doorsneden door sloten die recent werden uitgediept. Hierdoor waren deze als broedplaats blijkbaar veiliger en minder bereikbaar voor vossen. In en rond de verstoorde percelen zijn ook sloten aanwezig die echter volledig verland zijn en nauwelijks nog water bevatten. Door deze ook uit te diepen zal er tegen volgend jaar hopelijk de rust voor de broedvogels hersteld zijn.

Bij de eenden waren alle soorten talrijk: wilde eend (305 k.), bergeend (95 k.) en wintertaling (10 k.) evenaarden de hoge aantallen van de vorige jaren. Verheugend was vooral dat de meest typische weidevogels onder de eenden het zeer goed deden: niet minder dan 64 k. slobeend (= +18) en 9 k. zomertaling (= +4). Ook opvallend aanwezig waren enkele soorten die als broedvogel normaal in zeer klein aantal voorkomen: kuifeend (11 k.), tafeleend (2 k.), krakeend (8 k.), smient en pijlstaart (telkens 1 of 2 mogelijke broedgevallen). De recent ingeweken grauwe ganzen en canadaganzen zetten hun opmars verder met respectievelijk 88 (= +24) en 12 (= +4) koppels.

Meerkoeten waren even talrijk als vorig jaar (67 k.), waterhoentjes zijn door hun verborgen levenswijze in de broedtijd moeilijk waar te nemen en werden dan ook niet volledig geteld, we schatten ze ongeveer even talrijk als de meerkoet. Al even moeilijk zijn de hoenderachtigen: de patrijs werd niet volledig geteld, het aantal koppels bedraagt minstens een 20-tal, verder waren

er dit jaar 6 zangposten van kwartels, eind juni was er ook een toevallige waarneming van de zeer zeldzame kwartelkoning, wat kan wijzen op een

mogelijk broedgeval. In de kleiputten van Wenduine nestelden ook twee koppeltjes dodaars. In de velduilweiden vestigde zich weer een kolonie kokmeeuwen (120 koppels), vergezeld van twee koppels visdiefjes. Ook in de gruttoweiden alarmeerden enkele koppels kokmeeuwen en eveneens 2 koppels visdieven, ze werden er echter, samen met de andere weidevogels, verstoord. Op de rand van de polder, bij de Bosquet nestelden toch nog 6 blauwe reigers: nadat de vroegere nestbomen in het bosje vorige winter werden omgehakt, vestigden ze zich nu in pipulieren in de onmiddellijke nabijheid.

Bij de zangvogels werden alleen de soorten van de graslanden en de rietkragen geteld. Tot de eerste groep behoren veldleeuwerik,  graspieper en gele kwikstaart. De veldleeuwerik is een bedreigde soort die de omgeving van huizen, bomen en struiken mijdt. (zie vorig nummer van de Kievit). Er zaten dit jaar 130 koppeltjes, vooral in het zuidelijk deel van de polder. Mogelijk speelt de grotere verstoring van het

 

veldleeuwerik: aantal koppels per deelgebied               

                                                                                     

noordelijk deel, met de aanwezigheid van de kustbaan, de lawaaierige campingzone en de bebouwde kommen van Blankenberge en Wenduine hier een rol in. Graspiepers (112 k.) zijn iets gelijkmatiger verspreid maar toch ook wat talrijker in het zuiden. Minder talrijk zijn gele kwikstaart (36 k.) en witte kwikstaart 4 k.) Een nieuwe soort voor Uitkerke is de rouwkwikstaart: 1 koppel + 1 gemengd koppel (rouwkwikstaart x witte kwikstaart). Van de bewoners van rietkragen en rietveldjes is de rietzanger het talrijkst: 181 koppeltjes! De kust is voor deze soort een echt bastion, in grote delen van Vlaanderen is hij namelijk volledig verdwenen. De kleine karekiet is een minder bedreigde soort maar is in Uitkerke minder talrijk: 112 koppels. Dit komt door

dat de kleine karekiet meer dichte, overjarige rietvelden verkiest dan de rietzanger. De rietgors verkiest dan weer ruigere, droge rietvegetaties. Met 66

koppels deed hij het dit jaar opvallend goed. De blauwborst verkiest zo'n beetje hetzelfde biotoop als de rietgors. Ze werden dit jaar niet volledig geteld maar er zaten hooguit een twintigtal koppeltjes.

Onder meer bij de Groenwaecke, bij de kleiputten te Wenduine en bij enkele hoeven nestelen ook zangvogelsoorten van struwelen zoals merels, gras-musachtigen, winterkoningen en andere. Deze werden niet volledig geteld, bij de Groenwaecke zaten o.a. 5 koppels grasmus en een spotvogel.

De roofvogels tenslotte waren dit jaar niet zo talrijk: één koppel bruine kiekendief maar, minstens twee koppeltjes steenuil en 5 of 6 koppeltjes torenvalk. Speciaal te vermelden is nog een zuidelijke, laatbroedende soort, nl. de graszanger: vanaf eind juli waren er twee zangposten aanwezig (mogelijke broedgevallen).

 

In de Fonteintjes werden enkel de belangrijkste soorten genoteerd: ook hier deden de watervogels het goed: 2 koppels tafeleend en één kuifeend, 5 k. grauwe gans, 4 koppeltjes dodaars en 3 koppeltjes fuut. Verder o.m. ook 5 cetti's zangers, 1 sprinkhaanrietzanger, 1 zomertortel en waarschijnlijk een sperwer. Aan de overzijde van de baan bracht ook een koppel ransuil zijn jongen groot.

 

(tellers: Uitkerke: Franky Beidts, Dirk Content, Geert Declerck, Leon Lybeer en John Van Gompel; Fonteintjes: Dirk Content en Roland Hooghuis)      

 

Evolutie van de broedvogels in de Uitkerkse Polder

 

Na 40 jaar broedvogeltellingen en 15 jaar reservaatsbeheer hebben we een vrij goed beeld van de broedvogelpopulatie in de Uitkerkse Polder. De kennis die hierbij werd opgedaan, maakt het ons niet alleen mogelijk de toekomstige evolutie van die populatie te schetsen, maar deze ook bij te sturen via een aangepast beheer van de reservaatspercelen.

Dit is niet zo eenvoudig als het lijkt. Enerzijds zijn weidevogels per definitie allemaal broedvogels met een voorkeur voor graslanden. Infeite gaat het echter om onderling sterk verschillende soorten met elk hun eigen levenswijze en voorkeur voor bepaalde terreintypes (biotopen).

Hun voorkomen en aantal wordt beïnvloed door een hele reeks factoren. De belangrijkste hiervan zetten we hieronder op een rijtje.

 

- klimaatsfactoren: in de eerste plaats de neerslaghoeveelheid. Natte jaren zijn gunstig voor de meeste soorten weidevogels, onder meer door de betere bereikbaarheid van voedsel  in de zachtere bodem. Regenwormen en larven van langpootmuggen zijn het basisvoedsel voor volwassen weidevogels als kievit en grutto. Vroeger, voor het bestaan van het natuurreservaat, verdubbelden de aantallen weidevogels in natte jaren, of eigenlijk zouden we het andersom moeten formuleren: in droge jaren verminderde het aantal weidevogels tot de helft, omdat zowat alle percelen volledig uitdroogden. Veel neerslag in combinatie met lage temperaturen is echter ongunstig voor de opgroeiende jongen. In een koud voorjaar sterven veel meer jongen  door onderkoeling.

 

- vegetatietype : hangt voor een deel af van het bodemgebruik (zie verder) maar ook van de bodemvochtigheid (waterstand), zoutgehalte enz. Kievit, kleine plevier en kluut verkiezen terreinen met een korte, schrale begroeiing, grutto en watersnip zijn echte hooilandsoorten die lang gras (zich verbergen) en een kruidenrijke begroeiing (insecten als voedsel voor jongen) verkiezen. Tureluur en in mindere mate bergeend verkiezen zilte terreinen, zomertalingen ondiepe slootjes en een dichte oeverbegroeiing, slobeenden en meerkoeten grotere sloten met rietkragen of plassen.

 

  

 

- landbouwgebruik: de graslanden van onze polders zijn cultuurgraslanden die gebruikt worden in de landbouw, hetzij als hooiland waarop het gras gemaaid wordt, hetzij als weide met begrazing door vee. De manier waarop aan landbouw gedaan wordt, bepaalt in hoge ma-

       te het voorkomen van weidevogels. Op de bladzijde hiernaast wordt

      dit schematisch  weergegeven: op de balk wordt van links naar 

      rechts (van zwart naar wit) de gradatie geschetst van intensief ge-

      bruik, gepaard met sterke bemesting en een hoge veebezetting (of

      meerdere maaibeurten indien het om hooiland gaat), naar extensief

      beheer met een lage bemesting en een lage veebezetting (of één

      maaibeurt in geval van hooiland). Er zijn ook mogelijkheden tussenin

      met een minder sterke bemesting, minder sterke veebezetting enz.

      In de reservaatspercelen wordt zo'n tussenvorm gehanteerd: beperk-

      te bemesting en een latere inscharingsdatum voor het vee: meestal

      pas vanaf 15 juni om vertrappeling van nesten en jongen te voorko-

      men, in grotere percelen soms al vanaf 15 mei, maar dan met maxi-

      maal 1 dier per ha.

Weidevogels hebben, naargelang de soort, elk hun eigen voorkeur voor bepaalde terreintypes en beheersvormen. Ze worden daarom  ingedeeld in zogenaamde kritische en niet kritische soorten. Niet kritische als kievit en wilde eend stellen weinig eisen aan hun biotoop, al zullen ook zij het laten afweten als het té erg wordt, in overbemeste raaigrasweiden bijvoorbeeld. Kritische soorten stellen wel hoge eisen aan hun omgeving en zijn daardoor ook veel zeldzamer. De meest kritische als watersnip en kemphaan komen in Uitkerke zelfs al lang niet meer voor (Uitkerke was de laatste broedplaats in België van de kemphaan, ze kwamen er voor tot 1969). Andere als tureluur en kluut zijn er wel nog en nemen in aantal toe dank zij het reservaatsbeheer. Een soort als de grutto zit tussenin: voor de grutto is het thans gevoerde reservaatsbeheer ideaal: hij mijdt weiden met veel koeien, en een lichte bemesting zorgt voor voldoende wormen in de grond.

In Nederlandse weidevogelgebieden blijkt dat langdurige nulbemesting een achteruitgang veroorzaakt van grutto's en kieviten. Nulbemesting bevordert anderzijds het ontstaan en herstel van bloemrijke hooilanden. In die hooilanden zijn meer kruiden en insecten aanwezig waar dan o.a. een zeer kritische soort als de kwartelkoning op af komt.

Op de vorige bladzijde is dat schematisch weergegeven: elke soort heeft op de balk op een bepaalde plaats zijn optimum. Er is dus een verschuiving van soorten naargelang de af- of toename van bemesting, met een voorkeur van kritische soorten voor minder of onbemeste graslanden.

Het landbouwgebruik heeft ook nog andere invloeden op de vogelstand: het gebruik van herbiciden en antiparasitaire middelen heeft zowel op planten (kruiden), insecten als op de waterkwaliteit een negatieve invloed. Hetzelfde geldt voor een te lage waterstand: het beheer van het waterpeil (door het polderbestuur) gebeurt (nog steeds) in funktie van de (moderne) landbouw: vroegere graslandpercelen die gescheurd werden tot akker worden, via een laag waterpeil in de sloten, drooggelegd om ze vroeg te kunnen bewerken.

    

- verstoring : broedende weidevogels zijn gevoelig aan verstoring, door mensen (wandelaars, vissers, landbouwmachines), door dieren (loslopende honden, te dichte veebezetting, roofdieren cfr. broedvogelverslag met verhaal over de vossen), verkeerslawaai, overvliegende vliegtuigen enz. Grutto's bijvoorbeeld, blijven weg uit weiden met veel koeien, veldleeuweriken vermijden zelfs de omgeving van huizen en bomen.

 

- trek en wintergebieden : de meeste weidevogels zijn trekvogels. Bedreigingen en soms echte rampen tijdens de trek of in de overwinteringsgebieden (droogte in Afrika, jacht in Zuid-Europa ..) kunnen ook een grote weerslag hebben op de broedaantallen bij ons.

 

- natuurbeheer : in een weidevogelreservaat wordt gestreefd naar zo gunstig mogelijke voorwaarden voor de reproductie van de vogels. Een koppel weidevogels moet gemiddeld 1,5 jongen per jaar grootbrengen om de natuurlijke sterfte te compenseren. Een te grote sterfte of een te gering aantal jongen zal de populatie onherroepelijk doen afnemen.

- Het reguliere beheer (beperkingen in landbouwgebruik) is gunstig voor de niet al te kritische soorten (zie hoger), maar voor een echt herstel zijn drastischer ingrepen noodzakelijk, met name natuurontwikkeling: de aanwezigheid van poelen en plassen compenseert voor een deel de ongunstige situatie in droge jaren en het gevoerde beheer (te laag en onnatuurlijk waterpeil) van het polderbestuur.

      De in Uitkerke uitgevoerde natuurontwikkelingswerken zijn er groten-

      deels op gericht de vroegere vochtige laagten en veedrinkpoelen te

      herstellen. Soorten die daar zeer duidelijk van profiteren zijn o.m. de

      tureluur, die zijn voedsel zoekt op slikrandjes van plassen, de kluut,

      een pioniersoort van ondiepe plassen, en diverse eenden. In on- 

      gunstige jaren concentreren ook de meer algemene soorten zich in

      de natte kerngebieden: het broedseizoen dit voorjaar was daar een

      goed voorbeeld van: niet minder dan 44% van de kieviten nestelden

      in de reservaatspercelen, tegenover 27 à 33 % in de vorige, gunstige

      jaren.   

 

 

de grutto als voorbeeld :

 

Als koning onder de weidevogels is de grutto een der best gekende soorten van de Uitkerkse Polder.

Hij verkiest als broedplaats  hooilanden. In optimale omstandigheden vormt hij hierin kleine kolonies waarbij 10 of meer koppels dicht bijeen broeden. In Uitkerke bevinden zo'n kolonietjes zich traditioneel in de lage hooilandpercelen bij de Blankenbergse vaart.

Sinds de start van het natuurreservaat verdubbelde het aantal broedende grutto's: van 60 in 1990 tot rond de 120 de laatste jaren. Het gevoerde beheer binnen het natuurreservaat heeft hierin een duidelijke rol gespeeld. De belangrijkste factor voor de grutto is hierbij wellicht de tot 15 juni uitgestelde begrazingsdatum. Grutto's zijn erg gevoelig aan verstoring en mijden weiden met teveel  koeien.

 

Op het hiernaast afgebeelde verspreidingskaartje is de dichtheid, dit is het aantal koppels per 100 ha aangeduid voor de verschillende deelgebieden. Hieruit blijkt dat de dichtheid veel hoger is in het zuidelijk deel van de polder, gemiddeld zelfs vier keer groter dan in het noordelijk deel. Een gelijkaardig beeld zien we bij de veldleeuwerik (zie

 

broedvogelverslag), maar er is wel één verschil: bij de grutto's zien we de grootste concentraties vooral rond de Blankenbergse vaart (de gruttoweiden) met een dichtheid van 25 koppels per 100 ha, en in de eendeweiden met een dichtheid van 28 k./ha. Dit zijn de plaatsen met de grootste oppervlakten hooilanden en lage, vochtige weiden. Niet toevallig zijn het ook de plaatsen met de grootste reservaatsoppervlakte: 35% in de eendeweiden en 43% in de gruttoweiden. Opvallend is dat in de andere, eveneens in het zuidelijke deel gelegen blokken de dichtheid veel lager is:  respectievelijk 11 k./100 ha in de Reigersweiden, en zelfs maar 5 in de Meeuweweiden en Plevierweiden. In die 3 blokken is ook maar 16 tot 20% van de oppervlakte natuurreservaat. Eenzelfde beeld zien we in de noordelijke deelgebieden: de dichtheid varieert er van 3 tot 8 koppels per 100 ha, de oppervlakte reservaat bedraagt er ongeveer 20% met uitzondering van de Velduilweiden waar er 35% reservaat is. Hier is er een duidelijke negatieve invloed (lawaai en verstoring) vanuit de aangrenzende bebouwde kom van Blankenberge en de campingzone van Haerendijke waardoor de meest noordelijke percelen als broedplaats worden gemeden, zelfs als hier natuurontwikkelingswerken werden uitgevoerd en er een aangepast beheer is. De dichtheid in het noordelijk deel van de polder is weliswaar laag, in absolute aantallen gaat het toch om een 25-tal koppels, wat een hele toename is in vergelijking met de slechts enkele koppels die hier zaten bij het begin van het reservaatsproject.

 

Dat brengt ons bij de vraag in hoeverre in Uitkerke de grutto momenteel zijn maximale aantal al bereikt heeft. Uit het bovenstaande blijkt dat dit waarschijnlijk niet het geval is. Bij een groeiende reservaatsoppervlakte en een aangepast beheer, en op voorwaarde dat zich geen nieuwe, onverwachte verstoringen voordoen (vossen, toeristische drukte), zal het aantal ongetwijfeld nog verder toenemen. Ook in reservaatspercelen waar al natuurontwikkelingswerken zijn uitgevoerd zal de grutto in de toekomst wellicht nog talrijker worden: op dergelijke percelen vestigen zich in het begin namelijk vooral pionierssoorten al kluut en kleine plevier, voor een echte graslandvogel als de grutto wordt de vegetatie pas enkele jaren later echt geschikt.

Hoeveel koppels grutto de Uitkerkse Polder uiteindelijk zal kunnen huisvesten is echter zeer moeilijk in te schatten: dit is van teveel factoren afhankelijk waarvan een aantal zich buiten het broedgebied afspelen. Het blijft dus boeiend om de verdere evolutie van het weidevogelreservaat te volgen.