Het voorjaar begon
gunstig, dankzij een hoge waterstand na de overvloedige regen van de afgelopen
winter. Met uitzondering van een korte
warmteperiode in de tweede helft van april, bleven de temperaturen echter laag,
en gedurende het hele verdere voorjaar viel er nauwelijks nog regen.
Al vrij gauw bereikten
ons verontrustende berichten uit omliggende weidegebieden in de Brugse en
Oostendse regio: lage aantallen weidevogels met vooral bij de grutto's een
achteruitgang van 30%.
In UItkerke bleek de
situatie al bij al nogal mee te vallen: een lichte achteruitgang van het aantal
grutto's: 124 koppels tegenover 131 het jaar ervoor, bij de kievit was de
terugval iets groter: 309 koppels tegenover
Alle andere waadvogels
waren wèl in normale aantallen aanwezig, het zijn meestal soorten die hoe dan
ook in de kerngebieden broeden, zoals de tureluur (dit jaar 50 koppels), de
kluut (dit jaar een absoluut record van 92 koppels), en de kleine plevier (6 koppels),
of ook laat broeden zoals de scholekster (62 koppels). Ook weer aanwezig was de
steltkluut, wellicht door de droogte in zuid-Europa, met niet minder dan 7
broedparen.
Ondanks die goede
resultaten kregen we dit jaar af te rekenen met een nieuwe, onverwachte
situatie, die vooral op de broedende steltlopers een negatieve invloed
had. Twee van de kerngebieden, met
traditioneel hoge
concentraties
weidevogels en op een ervan zelfs een dichte kolonie grutto's, bleken dit jaar
zo goed als verlaten. De weidevogels waren er gewoon verdwenen. De enkele
grutto's en kieviten die er nog aanwezig waren leken ook
abnormaal schuw en
vluchtten onmiddellijk weg. Het terrein zelf en de vegetatie waren daarentegen
onveranderd, opmerkelijk was ook dat in andere percelen de broedvogels wel
normaal aanwezig waren. Iets moet die beide kerngebieden grondig verstoord
hebben. Wat de oorzaak geweest is zullen we nooit met zekerheid weten, maar we
hebben wel een vermoeden: er werden namelijk sporen van een vos aangetroffen.
In tegenstelling met wezels en hermelijnen, die door broedende weidevogels met
veel kabaal worden verjaagd, zijn vossen veel te groot en sterk om zich
hierdoor te laten intimideren. Ook in Nederland werd al gesignaleerd dat
weidevogelgebieden volledig werden verstoord door vossen. Een oplossing
hiervoor ligt niet voor de hand, tenzij we de vossen zouden verdelgen. Maar ook
dat is niet zo eenvoudig, en zelfs als dit zou lukken is er nog veel kans dat
de vrijgekomen plaatsen door nieuwe dieren zouden worden ingenomen. Maar
misschien hebben de vogels zelf wel al een oplossing aangebracht: De grutto's
bleken zich namelijk verplaatst te hebben naar twee laaggelegen percelen op een
goede kilometer afstand, omgeven en doorsneden door sloten die recent werden
uitgediept. Hierdoor waren deze als broedplaats blijkbaar veiliger en minder
bereikbaar voor vossen. In en rond de verstoorde percelen zijn ook sloten
aanwezig die echter volledig verland zijn en nauwelijks nog water bevatten.
Door deze ook uit te diepen zal er tegen volgend jaar hopelijk de rust voor de
broedvogels hersteld zijn.
Bij de eenden waren
alle soorten talrijk: wilde eend (305 k.), bergeend (95 k.) en wintertaling (10
k.) evenaarden de hoge aantallen van de vorige jaren. Verheugend was vooral dat
de meest typische weidevogels onder de eenden het zeer goed deden: niet minder
dan 64 k. slobeend (= +18) en 9 k. zomertaling (= +4). Ook opvallend aanwezig
waren enkele soorten die als broedvogel normaal in zeer klein aantal voorkomen:
kuifeend (11 k.), tafeleend (2 k.), krakeend (8 k.), smient en pijlstaart
(telkens 1 of 2 mogelijke broedgevallen). De recent ingeweken grauwe ganzen en
canadaganzen zetten hun opmars verder met respectievelijk 88 (= +24) en 12 (=
+4) koppels.
Meerkoeten waren even
talrijk als vorig jaar (67 k.), waterhoentjes zijn door hun verborgen
levenswijze in de broedtijd moeilijk waar te nemen en werden dan ook niet
volledig geteld, we schatten ze ongeveer even talrijk als de meerkoet. Al even
moeilijk zijn de hoenderachtigen: de patrijs werd niet volledig geteld, het
aantal koppels bedraagt minstens een 20-tal, verder waren
er dit jaar 6
zangposten van kwartels, eind juni was er ook een toevallige waarneming van de
zeer zeldzame kwartelkoning, wat kan wijzen op een
mogelijk broedgeval. In
de kleiputten van Wenduine nestelden ook twee koppeltjes dodaars. In de
velduilweiden vestigde zich weer een kolonie kokmeeuwen (120 koppels),
vergezeld van twee koppels visdiefjes. Ook in de gruttoweiden alarmeerden
enkele koppels kokmeeuwen en eveneens 2 koppels visdieven, ze werden er echter,
samen met de andere weidevogels, verstoord. Op de rand van de polder, bij de
Bosquet nestelden toch nog 6 blauwe reigers: nadat de vroegere nestbomen in het
bosje vorige winter werden omgehakt, vestigden ze zich nu in pipulieren in de
onmiddellijke nabijheid.
Bij de zangvogels
werden alleen de soorten van de graslanden en de rietkragen geteld. Tot de
eerste groep behoren veldleeuwerik,
graspieper en gele kwikstaart. De veldleeuwerik is een bedreigde soort
die de omgeving van huizen, bomen en struiken mijdt. (zie vorig nummer van de
Kievit). Er zaten dit jaar 130 koppeltjes, vooral in het zuidelijk deel van de
polder. Mogelijk speelt de grotere verstoring van het
veldleeuwerik: aantal
koppels per deelgebied
noordelijk deel, met de
aanwezigheid van de kustbaan, de lawaaierige campingzone en de bebouwde kommen
van Blankenberge en Wenduine hier een rol in. Graspiepers (112 k.) zijn iets
gelijkmatiger verspreid maar toch ook wat talrijker in het zuiden. Minder
talrijk zijn gele kwikstaart (36 k.) en witte kwikstaart 4 k.) Een nieuwe soort
voor Uitkerke is de rouwkwikstaart: 1 koppel + 1 gemengd koppel (rouwkwikstaart
x witte kwikstaart). Van de bewoners van rietkragen en rietveldjes is de
rietzanger het talrijkst: 181 koppeltjes! De kust is voor deze soort een echt
bastion, in grote delen van Vlaanderen is hij namelijk volledig verdwenen. De
kleine karekiet is een minder bedreigde soort maar is in Uitkerke minder
talrijk: 112 koppels. Dit komt door
dat de kleine karekiet
meer dichte, overjarige rietvelden verkiest dan de rietzanger. De rietgors
verkiest dan weer ruigere, droge rietvegetaties. Met 66
koppels deed hij het
dit jaar opvallend goed. De blauwborst verkiest zo'n beetje hetzelfde biotoop
als de rietgors. Ze werden dit jaar niet volledig geteld maar er zaten hooguit
een twintigtal koppeltjes.
Onder meer bij de
Groenwaecke, bij de kleiputten te Wenduine en bij enkele hoeven nestelen ook
zangvogelsoorten van struwelen zoals merels, gras-musachtigen, winterkoningen
en andere. Deze werden niet volledig geteld, bij de Groenwaecke zaten o.a. 5
koppels grasmus en een spotvogel.
De roofvogels tenslotte
waren dit jaar niet zo talrijk: één koppel bruine kiekendief maar, minstens
twee koppeltjes steenuil en 5 of 6 koppeltjes torenvalk. Speciaal te vermelden
is nog een zuidelijke, laatbroedende soort, nl. de graszanger: vanaf eind juli
waren er twee zangposten aanwezig (mogelijke broedgevallen).
In de Fonteintjes
werden enkel de belangrijkste soorten genoteerd: ook hier deden de watervogels
het goed: 2 koppels tafeleend en één kuifeend, 5 k. grauwe gans, 4 koppeltjes
dodaars en 3 koppeltjes fuut. Verder o.m. ook 5 cetti's zangers, 1
sprinkhaanrietzanger, 1 zomertortel en waarschijnlijk een sperwer. Aan de
overzijde van de baan bracht ook een koppel ransuil zijn jongen groot.
(tellers: Uitkerke:
Franky Beidts, Dirk Content, Geert Declerck, Leon Lybeer en John Van Gompel; Fonteintjes:
Dirk Content en Roland Hooghuis)
Na 40 jaar
broedvogeltellingen en 15 jaar reservaatsbeheer hebben we een vrij goed beeld
van de broedvogelpopulatie in de Uitkerkse Polder. De kennis die hierbij werd
opgedaan, maakt het ons niet alleen mogelijk de toekomstige evolutie van die
populatie te schetsen, maar deze ook bij te sturen via een aangepast beheer van
de reservaatspercelen.
Dit is niet zo
eenvoudig als het lijkt. Enerzijds zijn weidevogels per definitie allemaal
broedvogels met een voorkeur voor graslanden. Infeite gaat het echter om
onderling sterk verschillende soorten met elk hun eigen levenswijze en voorkeur
voor bepaalde terreintypes (biotopen).
Hun voorkomen en aantal
wordt beïnvloed door een hele reeks factoren. De belangrijkste hiervan zetten
we hieronder op een rijtje.
- klimaatsfactoren: in
de eerste plaats de neerslaghoeveelheid. Natte jaren zijn gunstig voor de
meeste soorten weidevogels, onder meer door de betere bereikbaarheid van
voedsel in de zachtere bodem.
Regenwormen en larven van langpootmuggen zijn het basisvoedsel voor volwassen
weidevogels als kievit en grutto. Vroeger, voor het bestaan van het
natuurreservaat, verdubbelden de aantallen weidevogels in natte jaren, of
eigenlijk zouden we het andersom moeten formuleren: in droge jaren verminderde
het aantal weidevogels tot de helft, omdat zowat alle percelen volledig
uitdroogden. Veel neerslag in combinatie met lage temperaturen is echter
ongunstig voor de opgroeiende jongen. In een koud voorjaar sterven veel meer
jongen door onderkoeling.
- vegetatietype : hangt
voor een deel af van het bodemgebruik (zie verder) maar ook van de
bodemvochtigheid (waterstand), zoutgehalte enz. Kievit, kleine plevier en kluut
verkiezen terreinen met een korte, schrale begroeiing, grutto en watersnip zijn
echte hooilandsoorten die lang gras (zich verbergen) en een kruidenrijke
begroeiing (insecten als voedsel voor jongen) verkiezen. Tureluur en in mindere
mate bergeend verkiezen zilte terreinen, zomertalingen ondiepe slootjes en een
dichte oeverbegroeiing, slobeenden en meerkoeten grotere sloten met rietkragen
of plassen.
- landbouwgebruik: de
graslanden van onze polders zijn cultuurgraslanden die gebruikt worden in de
landbouw, hetzij als hooiland waarop het gras gemaaid wordt, hetzij als weide
met begrazing door vee. De manier waarop aan landbouw gedaan wordt, bepaalt in
hoge ma-
te het voorkomen van weidevogels. Op de
bladzijde hiernaast wordt
dit schematisch weergegeven: op de balk wordt van links
naar
rechts (van zwart naar wit) de gradatie
geschetst van intensief ge-
bruik, gepaard met sterke bemesting en
een hoge veebezetting (of
meerdere maaibeurten indien het om
hooiland gaat), naar extensief
beheer met een lage bemesting en een lage
veebezetting (of één
maaibeurt in geval van hooiland). Er zijn
ook mogelijkheden tussenin
met een minder sterke bemesting, minder
sterke veebezetting enz.
In de reservaatspercelen wordt zo'n
tussenvorm gehanteerd: beperk-
te bemesting en een latere
inscharingsdatum voor het vee: meestal
pas vanaf 15 juni om vertrappeling van
nesten en jongen te voorko-
men, in grotere percelen soms al vanaf 15
mei, maar dan met maxi-
maal 1 dier per ha.
Weidevogels hebben,
naargelang de soort, elk hun eigen voorkeur voor bepaalde terreintypes en
beheersvormen. Ze worden daarom
ingedeeld in zogenaamde kritische en niet kritische soorten. Niet
kritische als kievit en wilde eend stellen weinig eisen aan hun biotoop, al
zullen ook zij het laten afweten als het té erg wordt, in overbemeste
raaigrasweiden bijvoorbeeld. Kritische soorten stellen wel hoge eisen aan hun
omgeving en zijn daardoor ook veel zeldzamer. De meest kritische als watersnip
en kemphaan komen in Uitkerke zelfs al lang niet meer voor (Uitkerke was de
laatste broedplaats in België van de kemphaan, ze kwamen er voor tot 1969).
Andere als tureluur en kluut zijn er wel nog en nemen in aantal toe dank zij
het reservaatsbeheer. Een soort als de grutto zit tussenin: voor de grutto is
het thans gevoerde reservaatsbeheer ideaal: hij mijdt weiden met veel koeien,
en een lichte bemesting zorgt voor voldoende wormen in de grond.
In Nederlandse weidevogelgebieden
blijkt dat langdurige nulbemesting een achteruitgang veroorzaakt van grutto's
en kieviten. Nulbemesting bevordert anderzijds het ontstaan en herstel van
bloemrijke hooilanden. In die hooilanden zijn meer kruiden en insecten aanwezig
waar dan o.a. een zeer kritische soort als de kwartelkoning op af komt.
Op de vorige bladzijde
is dat schematisch weergegeven: elke soort heeft op de balk op een bepaalde
plaats zijn optimum. Er is dus een verschuiving van soorten naargelang de af-
of toename van bemesting, met een voorkeur van kritische soorten voor minder of
onbemeste graslanden.
Het landbouwgebruik
heeft ook nog andere invloeden op de vogelstand: het gebruik van herbiciden en
antiparasitaire middelen heeft zowel op planten (kruiden), insecten als op de
waterkwaliteit een negatieve invloed. Hetzelfde geldt voor een te lage
waterstand: het beheer van het waterpeil (door het polderbestuur) gebeurt (nog
steeds) in funktie van de (moderne) landbouw: vroegere graslandpercelen die
gescheurd werden tot akker worden, via een laag waterpeil in de sloten,
drooggelegd om ze vroeg te kunnen bewerken.
- verstoring :
broedende weidevogels zijn gevoelig aan verstoring, door mensen (wandelaars,
vissers, landbouwmachines), door dieren (loslopende honden, te dichte
veebezetting, roofdieren cfr. broedvogelverslag met verhaal over de vossen),
verkeerslawaai, overvliegende vliegtuigen enz. Grutto's bijvoorbeeld, blijven
weg uit weiden met veel koeien, veldleeuweriken vermijden zelfs de omgeving van
huizen en bomen.
- trek en
wintergebieden : de meeste weidevogels zijn trekvogels. Bedreigingen en soms
echte rampen tijdens de trek of in de overwinteringsgebieden (droogte in
Afrika, jacht in Zuid-Europa ..) kunnen ook een grote weerslag hebben op de
broedaantallen bij ons.
- natuurbeheer : in een
weidevogelreservaat wordt gestreefd naar zo gunstig mogelijke voorwaarden voor
de reproductie van de vogels. Een koppel weidevogels moet gemiddeld 1,5 jongen
per jaar grootbrengen om de natuurlijke sterfte te compenseren. Een te grote
sterfte of een te gering aantal jongen zal de populatie onherroepelijk doen
afnemen.
- Het reguliere beheer
(beperkingen in landbouwgebruik) is gunstig voor de niet al te kritische
soorten (zie hoger), maar voor een echt herstel zijn drastischer ingrepen
noodzakelijk, met name natuurontwikkeling: de aanwezigheid van poelen en
plassen compenseert voor een deel de ongunstige situatie in droge jaren en het
gevoerde beheer (te laag en onnatuurlijk waterpeil) van het polderbestuur.
De in Uitkerke uitgevoerde
natuurontwikkelingswerken zijn er groten-
deels op gericht de vroegere vochtige
laagten en veedrinkpoelen te
herstellen. Soorten die daar zeer
duidelijk van profiteren zijn o.m. de
tureluur, die zijn voedsel zoekt op
slikrandjes van plassen, de kluut,
een pioniersoort van ondiepe plassen, en
diverse eenden. In on-
gunstige jaren concentreren ook de meer
algemene soorten zich in
de natte kerngebieden: het broedseizoen
dit voorjaar was daar een
goed voorbeeld van: niet minder dan 44% van
de kieviten nestelden
in de reservaatspercelen, tegenover 27 à
33 % in de vorige, gunstige
jaren.
Als koning onder de
weidevogels is de grutto een der best gekende soorten van de Uitkerkse Polder.
Hij verkiest als
broedplaats hooilanden. In optimale
omstandigheden vormt hij hierin kleine kolonies waarbij 10 of meer koppels
dicht bijeen broeden. In Uitkerke bevinden zo'n kolonietjes zich traditioneel
in de lage hooilandpercelen bij de Blankenbergse vaart.
Sinds de start van het
natuurreservaat verdubbelde het aantal broedende grutto's: van
Op het hiernaast
afgebeelde verspreidingskaartje is de dichtheid, dit is het aantal koppels per
broedvogelverslag),
maar er is wel één verschil: bij de grutto's zien we de grootste concentraties
vooral rond de Blankenbergse vaart (de gruttoweiden) met een dichtheid van 25
koppels per
Dat brengt ons bij de
vraag in hoeverre in Uitkerke de grutto momenteel zijn maximale aantal al
bereikt heeft. Uit het bovenstaande blijkt dat dit waarschijnlijk niet het
geval is. Bij een groeiende reservaatsoppervlakte en een aangepast beheer, en
op voorwaarde dat zich geen nieuwe, onverwachte verstoringen voordoen (vossen,
toeristische drukte), zal het aantal ongetwijfeld nog verder toenemen. Ook in
reservaatspercelen waar al natuurontwikkelingswerken zijn uitgevoerd zal de
grutto in de toekomst wellicht nog talrijker worden: op dergelijke percelen
vestigen zich in het begin namelijk vooral pionierssoorten al kluut en kleine
plevier, voor een echte graslandvogel als de grutto wordt de vegetatie pas
enkele jaren later echt geschikt.
Hoeveel koppels grutto
de Uitkerkse Polder uiteindelijk zal kunnen huisvesten is echter zeer moeilijk
in te schatten: dit is van teveel factoren afhankelijk waarvan een aantal zich
buiten het broedgebied afspelen. Het blijft dus boeiend om de verdere evolutie
van het weidevogelreservaat te volgen.